Essays over Geluk van Daniël Gould - Klik hier en lees het complete artikel
Essays over Geluk van Daniël Gould
Essays zijn overal, elke dag. In de krant, op de radio, in de Tweede Kamer, in de klas. Daniël Gould schreef 16 essays over geluk. Daniël Gould komt uit Amerika, maar woont al 33 jaar in Amsterdam. Hij is freelance … Verder lezen
Essay Nummer 2
Gouden zondagen – over geluk deel 2
Wat is geluk?
Denk aan de herinneringen toen je jong was die je een warme gloed geven als je aan ze denkt. Neem iets speciaals in gedachten op een precies tijdstip. Hoe warm was het op die dag? Scheen de zon, regende het of was het bewolkt? Welke geuren herinner je je?
Het herinneren en begrijpen van die momenten verklaart waarom we zijn wie we zijn. Daar gaat het om in de psychiatrie en de psychoanalyse. Om het herinneren. De goede dingen EN de slechte dingen. De volgende stap is de echte betekenis van die momenten te leren begrijpen.
Onderzoek naar pedofielen heeft duidelijk gemaakt dat een overgrote meerderheid van hen tijdens hun jeugd misbruikt is. Waarom ontwikkelen de misbruikten zich tot misbruikers? Omdat ze – als kinderen – eenzaam waren, of niet geliefd of afgewezen. Het volwassen roofdier zag dit als zwakheid en een gelegenheid om overvloedige aandacht te geven totdat het kind zich in zijn handen veilig voelde. Op dat moment vond de verleiding plaats. De meest vernederende jeugdherinneringen – seksuele verleiding – vallen samen met, mogelijk, de gelukkigste momenten: de aandacht van een andere persoon.
Neurologen hebben de hersens in kaart gebracht met behulp van MRI scanners. Ze identificeren deelgebieden en proberen de functie daarvan te begrijpen. De focus van de eerste onderzoeken was het vinden waar het geheugen zit. Raad eens? Er is geen kwab noch hersenstam aan te wijzen waar alle leerervaringen te lokaliseren zijn; het zit verspreid over 50, 60 plaatsen. In ieder van deze deelgebieden zijn specifieke dingen opgeslagen: hoe warm het was op een bepaald moment; of de zon scheen en de geur van de bloemen. De voornaamste onderdelen van onze geest bevatten ervaringen van elk van onze vijf zintuigen: zien, horen, voelen, ruiken en proeven.
Gelukkig ogenblikken – en ook helaas ongelukkige ogenblikken – zijn geëtst in de hersenkwabben mét de intensiteit van dat ogenblik of die periode. Daarom herinneren we ons een zeer gelukkig ogenblik zo goed – zoals de eerste keer dat we het gezicht zagen van onze toekomstige geliefde. Maar evenzeer de uiteindelijke breuk met diezelfde geliefde. Je voelt nog steeds de kilte van de regen op je gezicht samen met de zoute smaak van je tranen.
Dus, als we het begrip “geluk” willen definiëren, is het nuttig die ogenblikken weer te beleven en weer te ervaren hoe die voelden.
Als we ontdekken dat sommige van die gelukkige ogenblikken nep zijn – omdat je seksueel bent misbruikt – zijn we in staat om ons onderzoek naar het ware geluk echt uit te voeren.
Tjeesus …. ik lijk wel een goeroe.
Maar, is dat ook niet de rol van een goeroe? Het definiëren waar het uiteindelijk allemaal om draait?
Iemand zegt tegen zichzelf “Wat is geluk?” Hij neemt ontslag. Verkoopt alles. Reist over de wereld op zoek naar iemand die de vraag kan beantwoorden. Hij krijgt het advies een berg te beklimmen. Hij klimt todat hij de top bereikt heeft. Daar ziet hij een grot. En daar zit de goeroe, in lotuszit. Hij vraagt de goeroe: “Wat is geluk?”
De goeroe antwoordt: “Geluk gaat over niets anders dan over het zitten op een bergtop!”
De man staart hem aan met een verbaasde blik en vraagt cynisch: “Geluk gaat over niets anders dan over het zitten op een bergtop? Wat is dat voor onzin?”
De goeroe, duidelijk onthutst, zegt: “Is Geluk niet niets anders dan het zitten op een bergtop?”
Dus, opnieuw: wat is Geluk? Het ligt ermaar aan aan wie je het vraagt. Vraag je het jezelf, dan moet je het antwoord op de vraag proberen te begrijpen. Als je zegt “de loterij”, is het nep, want je hebt nog nooit de loterij gewonnen. En, zoals ik al verteld heb in het eerste hoofdstuk, zul je ook wel eens spijt kunnen hebben als je die hoofdprijs gewonnen had. Om te weten wat Geluk is, moet je jezelf kennen. En dat is niet makkelijk!
De les die we trekken: denk voordat je de sprong waagt!
Daniel R. Gould
Essay Nummer 3
Gouden zondagen – over geluk deel 3
Wat is geluk?
Omstreeks 1970.
Ik woonde in Chicago, in de oude stad, North Wells Street. Waar het allemaal gebeurde! Mijn huwelijk was gestrand in de “Summer of Love” in 1967. Ik was een man van de stad. Dat wil zeggen, als ik in de stad was.
Ik werkte voor een wetenschappelijke uitgever en de meeste tijd was ik het land in, wel 45 weken in het jaar. Tot zover het slechte nieuws.
Het goede nieuws: ik had van het bedrijf een leasewagen gekregen en een aantal betaalkaarten. Ik heb nooit een rekening gezien. Ik kon mijn uitgavenaccount aanspreken – met de zegen van het bedrijf – door de lunches in rekening te brengen die ik nooit genoot. In plaats daarvan reed ik door naar de volgende afspraak. Het was win-win voor het bedrijf en voor miijzelf. Ik was efficiënt. Ik werd gewaardeerd.
Op die manier drukten de alimentatie, de betalingen voor ondesrsteuning van de kinderen en de kosten van de privéschool niet teveel op mijn leefstijl.
Maar het leven op de snelweg heeft niet alleen leuke kanten. “Holiday Inn Blues”, het lied van Neil Diamond komt bij me op. Ik zou niet meer weten in hoeveel restaurants ik heb gegeten en in hoeveel Holiday Inns ik heb geslapen. Terwijl de internationale Holiday Inns Hotels zich bevinden in de vier sterren klasse, zijn het in de States over het algemeen varianten van “broodje baksteen motels”, die verspreid over Amerika liggen als de takken van een grote eik. Als ik in New York, San Francisco of New Orleans was, vermeed ik ze. Maar in Kearny – Nebraska, Rapid City – South Dakota of Jackson – Mississippi was het de beste plek waar je kon zijn.
Waar het allemaal op neerkwam is het feit dat het leven op de snelweg langdradig en saai wordt. Het menu in het restaurant van Holiday Inn in Stillwater – Oklahoma verschilde niet van dat in Akron – Ohio. Vaak verlangde ik alleen maar naar een grote salade.
In deze periode was ik af en toe een week thuis, in Chicago. Op een morgen ging ik de trap af van mijn vier-kamer huis. Het was eind oktober. “Indian summer”. Warme en zonnige dagen, maar ‘s nachts vroor het licht.
Ik maakte de deur open. Het gebouw lag op het oosten. De zon scheen als een schijnwerper in mijn gezicht. Ik voelde direct de overweldigende warmte. Ik hoorde de melodieuze ritseling van de blaadjes aan de bomen langs het trottoir. En ik rook de geur van de herfst.
Een gevoel van euforie overviel me. Het overspoelde me zozeer, dat zelfs nu, 35 jaar later, ik me nog steeds het moment levendig kan herinneren.
De rest van de nodig moet ongemerkt voorbij zijn gegaan, want niets verstoorde die eenvoudige ochtendervaring.
Vreemd, niet? Er gebeurde niets. De gebeurtenis had ook geen enkel vervolg; enkele een tijdsfragment. Maar op dat moment voelde ik me subliem gelukkig en ik kan het moment nog steeds naar voren halen.
De les? Aan veel geluk wordt voorbijgezien omdat het niets kost.
Daniel R. Gould
Essay Nummer 4
Gouden zondagen – over geluk deel 4
Ik haat maandagen!
Daarvoor heb ik mijn persoonlijke redenen, maar, om eerlijk te zijn, de uitspraak wordt breed gedeeld. Er zijn veel redenen voor: het begin van de werkweek; de traditionele wasdag, Blauwe Maandag – de derde maandag in januari – de meest depressieve maandag van het jaar.
In de States had je een strip “Grote Sjors”. Bijna iedere maandag was de grap van Sjors “Ik haat maandag!”
Kent u dat lied, hoe heet het? Volgens mij werd het gezongen door U2. De belangrijkste tekst is: “Ik houd niet van maandagen.” Het gaat over een tienermeisje die wakker wordt in een grauw Chicago, een geweer meeneemt naar school en een paar medestudenten doodschiet. Het is echt gebeurd. Toen de politie haar vroeg waarom ze het gedaan had, zei ze: “Ik houd niet van maandagen.”
Wat heeft dit te maken met geluk? Alles!
Tot op een paar jaar geleden liep ik hard. Maandag was de moeilijkste dag; tien kilometer, drie rondjes Vondelpark. Door een peesontsteking moest ik ermee ophouden. Maadag is ook de dag dat ik vast. Geen voedsel, geen beloning voor de mond. Een lange, lange dag.
Naar die zelfopgelegde disciplines keek ik niet uit. Ik wilde het liefst maandag van de kalender verwijderen. Waarom legde ik me taken op die mijn dag niet fantastisch maakten?
Het is terug te voeren naar een verhaal uit mijn leven. Toen ik heel jong was werd ik draaierig als ik een paar honderd meter gerend had. En dat was voordat ik begon te roken. Ik ben opgegroeid in een rookwolk. Mijn ouders waren allebei kettingroker en ik nam dit gedrag over. Ik heb zestien jaar gerookt, tweeëneenhalf pakje per dag. Toen hield ik er abrupt mee op. Zes maanden later bleeek ik zwaarder te worden. Daarom ging ik hardlopen.
Het vasten begon een jaar of vijf later, want zelfs met het hardlopen werd ik zwaarder en ieder jaar gebruikte ik zes weken lang een afslankdieet om van de extra kilo’s af te komen. Dat moest beter kunnen. Ik beredeneerde dat als ik één dag in de week niet at, ik de extra calorieën kwijt zou raken. Het lijkt te werken. En waarom koos ik maandag? Omdat er op maandag niets gebeurt. Mensen geven geen feestjes. Er zijn geen recepties. Maandag heet niet voor niets Blauwe Maandag!
Maar waar blijft het geluk? Ik loop niet meer hard, en ik mis het. Ik mis het om verschillende redenen. Het bracht me in een euforische stemming op een natuurlijke manier. Op mijn 50e kon ik iets doen wat ik op mijn 16e niet kon. En, toegegeven, ik voelde me verheven boven de meerderheid van de bevolking.
Wat het vasten betreft: het werkt. Geen afslankkuurtjes meer. Maar het is ook een test van mijn wilskracht. Ik moet nee zeggen tegen bepaalde verlangens. Ik mag van mijzelf thee drinken, koffie en water, maar GEEN alcohol. Ik vervloek maandagen totdat ik het licht uitdoe en in mijn bed stap. Als ik daar dan lig denk ik: als ik morgen wakker wordt mag ik weer eten. Ik voel me dan trots dat ik – opnieuw – een gehate maandag bedwongen heb.
De les: geluk is toevallig.
Daniel R. Gould
Essay Nummer 5
Gouden zondagen – over geluk deel 5
Een paar jaar geleden sprak ik met een filmacademie-student. Ze vroeg me “Wat vindt je de mooiste film?” Ik hoefde er zelfs niet over na te denken, “Citizen Kane!”. Ze keek me teleurgesteld aan en zei “Iedereen noemt die film”.
Ik heb er ook een reden voor. De eerste keer dat ik de film zag herinner ik me nog goed. Ik was ongeveer 25 jaar oud en ik zag de film ‘s avonds laat op de tv. Toen de film ten einde was, dacht ik “Wow, wat een film.” Ik vroeg me ook af waarom ik die film niet eerder had gezien.
Mijn filmopvoeding begon al vroeg, toen ik ongeveer drie was. Ik ging met mijn vader mee naar de bioscoop omdat hij niet graag alleen ging en omdat mijn moeder niet van westerns en gangsterfilms hield. In de lange hete zomerdagen in Detroit was het in het begin van de middag te heet om buiten te spelen. Dus ging ik naar “Bill Kennedy Show Time”. Mijn vader was een filmenthousiast en koos altijd klassieke films uit. Daarmee kreeg ik een uitstekende filmopvoeding.
Maar hoe kwam het dat ik Citizen Kane gemist had? Die stond toch op ieders top-tien lijstje? Het kwam door de geschiedenis van deze film.
Orson Welles was een onstuimige jongeman, 26 jaar oud, toen hij de film produceerde, het scenario ervan schreef én de hoofdrol speelde. Het was een nauwelijks verhulde biografie van de Amerikaan William Randolph Hearst, een krantenmagnaat die op gegeven moment over 28 kranten beschikte van kust tot kust.
Het duurde niet lang voordat uitlekte dat de film gemaakt werd en tegen de tijd dat de première eraan zat te komen ondernam Hearst actie. Al zijn kranten weigerden om de film te recenseren of er advertenties van te plaatsen. De film stierf voordat het geboren werd. Het was een verlies voor RKO, de filmmaatschappij. De film kreeg de kans niet gezien te worden.
De film zou pas jaren later opduiken. Eerst op de nachttelevisie, heel erg laat en vervolgens op filmfestivals en retrospectieven. Op gegeven moment ging de film een nieuw leven leiden en, op dit moment, wordt de film bewonderd en bestudeerd.
Waarom is het zo’n bijzondere prestatie?
Op de eerste plaats het verhaal. Tel daarbij op het uitzonderlijke acteren (Welles en Joseph Cotton, die allemaal in de twintig waren, ontwikkelen zich overtuigend tot volwassen mannen), de verfilming en het scenario.
Vooral het begin maakt de film zo boeiend. Het begint als een soort mysterie. We bevinden ons in een donkere en sombere nacht en zien een soort kasteel in de achtergrond. In de volgende scene zien we een man bewegingsloos liggen met in zijn hand een glazen sneeuwbol. Op gegeven moment zegt hij “Rosebud” en sterft.
De volgende scene speelt zich af in een privé filmzaal van een filmtijdschrift. De hoofdredacteur spreekt zijn verslaggevers toe en zegt dat dit een belangrijk verhaal is, omdat Kane een groot man was. Rijk, succesvol in zijn carrière en op gegeven moment een man met politiek ambities die streeft naar het Witte Huis. “Maar wie was hij echt? Rosebud! was het woord dat hij bij zijn sterven uitbracht … dat is de sleutel. Als jullie uitvinden wie of wat Rosebud was, weten wie de man is.”
We zien vervolgens een van de verslaggevers mensen interviewen die op zeker moment een rol in zijn leven speelden. De verslaggever interviewt de man die Kane bewaakte toen hij ongeveer tien was. Er is een opmerkelijke scene van de eerste ontmoeting van Kane en de bewaker. Het huis ziet eruit als een soort kajuit. De jonge Kane heeft sleetje gereden in de sneeuw, en wordt naar binnen geroepen door zijn vader die duidelijk ook een soort kameraad is. Zijn strenge, maar liefhebbende moeder staat naast haar man en legt de jongen uit dat de bewaker hem mee zal nemen naar de grote stad voor onderwijs in de beste scholen. Zijn ouders hebben een goudmijn geërfd en hij zal ooit heel rijk worden. Hij moet leren om met zo’n soort leven om te gaan.
Vervolgens zien we hem opgroeien en langzaam een business tycoon worden. We worden geintroduceerd bij de mooie vrouw die zijn echtgenoot zal worden en die zijn kinderen zal opvoeden; bij zijn vriendinnen – aan iedere arm een – en tenslotte bij zijn maitresse, de liefde van zijn leven. Aan al deze mensen wordt gevraagd: “Betekent het woord Rosebud iets voor u?” Niemand heeft het antwoord. Er wordt een filmsamenvatting gemaakt voor de bioscopen in het land, maar daarin komt Kane’s laatste woord niet in voor.
In de slotscene zien we een kelder met een grote vuurhaard. Een man gooit er allerlei afval in die hij verzameld heeft over het hele terrein van het enorme huis. Hij pakt een sleetje en gooit het in de vuurmassa. De camera volgt het. Het sleetje begint al vlam te vatten en dan zien we in op de zijkant de woorden “Rosebud”.
Kane’s laatste gedachte, voordat hij stierf, was aan het moment dat hij het bescheiden onderkomen van zijn ouders verliet om een nieuw en opwindend leven te leiden. Alles wat hij kreeg: de rijkdom, de glamour en zijn macht, bracht hem niet het geluk dat hij had gevoeld in zijn nederige omgeving en zijn liefhebbende ouders.
De les is dat geluk zo vluchtig is dat we niet weten wanneer we het hebben.
Daniel R. Gould
Gouden zondagen – geluk deel 6
Wat is geluk?
Een tijdje geleden bezocht ik een bekende. Hij rookte een sigaret en begon plotseling te hoesten. Toen hij eindelijk weer normaal ademhaalde, vroeg ik hem wanneer hij van plan was te stoppen met roken. “Als mijn zorgen voorbij zijn!” antwoordde hij. Daar had hij gelijk in. De dag dat onze zorgen – en die ons een hoop tijd kosten – voorbij zijn, is de dag dat we sterven.
Problemen en zorgen vormen een bijzonder groot onderdeel van ons leven. En wat zou het leven zijn zonder ze?
Toen ik 14 was, kochten mijn ouders een nieuw huis. Naast ons woonde een ouder echtpaar van in de zestig. Ze hadden acht kinderen en een was er nog thuis. Joey, het kind, was eigenlijk geen kind, want hij was 27 jaar. Hij was echter geboren met het syndroom van Down. Gelukkig had hij het niet in ernstige mate; hij sprak zowel Engels – zij het met beperkt vocabulair – als Italiaans, de moedertaal van zijn ouders. Maar hij was nooit naar school geweest en hij kon niet lezen. In de zomer zat hij in de achtertuin met een krant voor zijn neus. Nooit bladerde hij naar de volgende pagina; een uur lang staarde hij naar dezelfde pagina. Hij wilde dat mensen dachten dat hij kon lezen. Hij wilde dat mensen dachten dat hij normaal was.
Hij rookte sigaretten, maar hij vroeg altijd iemand een vuurtje omdat hij geen lucifers mocht gebruiken. Het gevaar van vuur begreep hij niet goed. Zijn gedrag kopieerde hij van het gedrag van mensen om hem heen. Er was een jongen van mijn leeftijd, Tommy, die tegenover ons woonde. Tommy was gek van Johnny Mathis – destijds een populaire zanger. Op warme zomerdagen, als alle ramen openstonden, werd de buurt getracteerd op “Chances Are”, “The Twelfth of Never” en “Misty”. Ik herinner me nog een aantal zinnen van het lied omdat ik ze zo vaak hoorde. Op dat moment begon de rol van Joey. Hij wilde ook een typische teenager zijn. Maar hij was geen fan van Mathis. Hij hield eigenlijk maar van één lied: “Volare, Di Pinto Di Blu”. Mijn enige Italiaans lijkt te bestaan uit de woorden van dat lied, maar ik heb geen idee wat ze betekenen. Joey’s slaapkamer was een meter of twee van de mijne verwijderd. Op die zomerochtenden had ik geen wekker nodig om wakker te worden: hij zong uit volle borst.
‘s Avonds, op die hete, zwoele dagen in Detroit, kwam Joey in onze achtertuin om te praten met mijn vader en mij terwijl we in tuinstoelen zaten om te profiteren van het verkoelende briesje. Hij had altijd veel te vertellen. Het ging altijd over probelemen van de familieleden, in het bijzonder zijn broer en zussen. Zoals hij het vertelde kwam het erop neer dat de problemen alleen maar door HEM opgelost konden worden. Joey had zelf geen zorgen. Daar was hij niet gelukkig mee.
Zijn vader was diabeet en zijn beide benen waren geamputeerd. Waarschijnlijk als gevolg hiervan was hij een zuurpruim geworden en vaak hoorden we hem iets schreeuwen in het Italiaans. Joey en zijn moeder moesten het maar op zien te lossen. De verantwoordelijkheden van Joey werden groter en groter. En paar keer per week kwam er ook een huishoudelijke hulp om mee te helpen schoonmaken. Zo ging het leven zijn gang.
Ik verliet mijn ouderlijk huis en reisde 1000 kilometer verder naar St. Louis, waar iik me had ingeschreven in de universiteit. Steeds minder kwam ik in Detroit.
Op een van mijn bezoeken, drie of vier jaar later, vernam ik dat de moeder van Joey een beroerte had gehad. Ze kon niet meer koken en de eenvoudigste klusjes niet meer doen. De kinderen huurden verpleegsters voor de hele dag in, maar geen enkele bleef langer dan twee maanden omdat Joey’s vader erg veeleisend was. Uiteindelijk gaven ze het op om hulp in te huren. De dochters gingen elkaar afwisselen met het maken van de maaltijden en Joey, hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, werd “de verpleegster”. Hij was niet alleen gewend aan de uitroepen van zijn vader, maar – dat was nog belangrijker – hij wist hoe hij ermee om moest gaan.
Als ik weer eens thuis was, zag ik Joey vaak zijn moeder in een rolstoel door de buurt voortduwen; het hele jaar door. Joey had nu echte zorgen en dat deed hem erg goed. Hij was gelukkig omdat iemand hem nodig had.
Joey zou zijn ouders overleven. Toen de laatste stierf, ging hij bij een zus wonen. Hij stierf toen hij 37 was, waarschijnlijk als een gelukkig persoon.
De les: een leven zonder moeilijkheden en zorgen is een waardeloos leven; en een waardeloos leven levert geen geluk op. Vergeet het tellen van je zegeningen en spreek je dank uit voor al die beroerde problemen.
Daniel Gould